(praktijk)voorschrift
spacer (praktijk)voorschrift
Praktijkgerichte conclusie

Hoe pak je woordenschatonderwijs aan in de kleuterklas?

Voordat we uitleggen hoe je bewust en planmatig de woordenschat van kleuters kan uitbreiden, willen we je eraan herinneren dat je al een eerste grote stap zet door zelf een rijk taalaanbod te gebruiken en een goede interactiestijl te hanteren in jouw kleuterklas. Maar je kan nog meer effect bereiken...

Voorleesactiviteiten staan centraal in de aanpak die we beschrijven. Deze aanpak is gebaseerd op een aantal succesvolle interventies uit de review met oudere kleuters (hoofdstuk 4). We vragen je om deze aanpak niet blindelings toe te passen, maar met aandacht voor het aanvangsniveau van de kleuters en het positieve en veilige leefklimaat en bij te sturen wanneer nodig.

Verhalen en doelwoorden selecteren

Je zoekt een boeiend verhaal of een toegankelijk informatief prentenboek met een rijke woordenschat.

Je selecteert drie of vier doelwoorden uit de tekst op basis van de volgende criteria:

Daarnaast verloopt het woordenschatonderwijs gemakkelijker wanneer de woorden met elkaar te maken hebben, en met het thema verbonden kunnen worden.

Het verhaal meermaals brengen met expliciete aandacht voor de doelwoorden

Je brengt het verhaal minstens twee maal voor de kleuters, waarbij je telkens voor/tijdens/na het verhaal expliciete aandacht besteedt aan de doelwoorden.

Er zijn vijf technieken om de doelwoorden te belichten: uitbeelden/tonendefiniëren, analyseren, contextualiseren, klankstudie.

Best combineer je een aantal technieken. Bijvoorbeeld, je geeft een kindvriendelijke definitie, je verbindt het doelwoord met de eigen ervaringen van de kleuters en je laat de kleuters het woord even in lettergrepen klappen. (Dat laatste kan je natuurlijk later ook op een ander moment doen, tijdens een taalspel waarin je het fonologisch bewustzijn traint.)

Tijdens het vertellen beperk je de woordinstructie in tijd. Voor en/of na het verhaal bespreek je de woorden wel uitgebreid.

Best voorzie je heel wat gelegenheid tot interactie. Je kan bijvoorbeeld de doelwoorden op voorhand introduceren als 'magische woorden' en de kleuters vragen om hun hand op te steken wanneer ze een van deze 'magische woorden' horen. De kleuters kunnen de doelwoorden zelf uitbeelden, of ze trachten de betekenis te verwoorden (nadat jij zelf hen reeds eerder de betekenis hebt uitgelegd). Na het verhaal kan je vragen wanneer in het verhaal het doelwoord opdook en zoek je samen met de kleuters op welke prent het doelwoord ook al weer verschijnt. Of je gebruikt foto's van de doelwoorden en contrastfoto's om de betekenis van de doelwoorden samen met de kleuters te verkennen.

Enkele visuele hulpmiddelen vind je in de praktijkwijzer.

Herhalen en oefenen

Om de kans te vergroten dat de kleuters de woorden écht beheersen, voorzie je best een aantal mogelijkheden om de woorden te herhalen, bijvoorbeeld:

Hoe pak je zo'n gesprek aan?

(1) De kleuters beoordelen foto's.

De kleuteronderwijzer toont foto's waarbij de kleuters moeten bepalen of de foto's een positief voorbeeld van het doelwoord tonen. Alle kinderen geven hierbij een non-verbaal antwoord door hun duim omhoog of omlaag te steken. De leerkracht bevestigt het juiste antwoord en geeft hierbij wat uitleg. Vervolgens stelt de leerkracht enkele open vragen waarbij de kinderen hun keuze moeten verantwoorden en hun begrip van het doelwoord demonstreren.

 

Ik ga jullie nu een aantal foto's laten zien. Als je denkt dat de foto iets toont dat eigenaardig is, of raar en anders, doe dan jouw duim omhoog, zo, en fluister: "Dat ziet er eigenaardig uit'. Als de foto niets eigenaardigs toont, doe dan jouw duim naar beneden, zo, en zwijg dan. (nadat de kleuters gereageerd hebben op een foto) Als je jouw duim omhoog hebt gestoken, dan ben je juist! De kinderen op de foto zien er eigenaardig uit, of raar en anders. Zijn Silly Sally en haar vrienden eigenaardig? Ze wandelen omgekeerd op hun handen. Waarom denk je dat omgekeerd wandelen eigenaardig is? (antwoord van een kind: "Mensen wandelen niet omgekeerd! Dat zou heel raar zijn.)

(2) De kleuters beoordelen zinnen.

Een alternatief spel gebeurt met zinnen in plaats van foto's. De kleuters moeten reageren of een zin wel of niet waar is. Daarna wordt hun antwoord bevestigd door de leerkracht, en mogen de kleuters hun antwoord verklaren. Bijvoorbeeld, bij het woord stekelig laat de leerkracht de volgende zinnen beoordelen. Is een baard stekelig? Is een cactus stekelig? Is een perzik stekelig?

(3) De kleuters onderzoeken het doelwoord vanuit de zintuigen.

vb. Horen. Kan je horen of iemand aan het janken is?

Zien: Kan je zien of iemand aan het janken is?

Gevoel: Als jouw vriend aan het janken is, zou ze zich dan stom of verdrietig voelen?

Associatie: Wat doet jou aan het woord janken denken: een kind dat buiten gaat spelen of een kind dat net haar favoriete speelgoed heeft verloren?

(4) Andere werkvormen:

De kleuters moeten een vraag interpreteren met een of meerdere doelwoorden.

vb. Als een storm naderde, zou je dan een bouwvallig huis binnengaan?

vb. Nadat ze alle trappen had opgelopen bereikte ze uiteindelijk de top van een heel groot gebouw. Waarom was ze vermoeid?

 

De kleuters vervolledigen een zin met het doelwoord erin.

vb. Wanneer ik een kompas had, ....

 

De kleuters raden welk doelwoord past in een zin.

vb. Het meisje keek in de tuin en zag haar vriend naar haar toe lopen. Aan welk woord denk je nu, naderen of aarzelen? Ja, naderen.

Bijvoorbeeld:

Eerst vraagt de leerkracht om na te spelen hoe in het verhaal de hoofdpersonen aan het bakken waren. Vervolgens komt dit doelwoord in een rollenspel aan bod.

De leerkracht nodigt het kind uit om te spelen. Laten we een cake bakken. (De leerkracht doet alsof hij ingrediënten mixt in een kom en giet het deeg in de cakevorm. Hij nodigt het kind uit om dit na te bootsen en zelf te mixen.) Nu is het tijd om de cake in de oven te zetten. (Het kind krijgt de kans om de cake in de speeloven te doen.) Nu moeten we wachten tot het gebakken is. (De leerkracht zet de timer.) De cake is klaar! Laten we de cake eruit nemen en opeten. (De leerkracht gebruikt de ovenwanten.)

De babbelhoek is een gespreksruimte in de klas waar de leerkracht babbeltjes doet met één of maximaal twee kleuters over een onderwerp dat de kleuter zelf heeft aangebracht, of over een onderwerp dat in verband staat met het thema. Zulke gesprekken duren ongeveer vijf tot tien minuten. Elke week komen alle kinderen aan de beurt zodat de leerkracht met elk van hen minstens één betekenisvol gesprek heeft. Terloops kan de leerkracht peilen of de kleuters de doelwoorden beheersen door ze in het gesprek te gebruiken.

Oudere kleuters kunnen zelf verhalen verzinnen rond de doelwoorden. De leerkracht werkt hiertoe in een groepje met maximaal drie kinderen. Hij stelt erg brede vragen, zoals 'vertel me een verhaal over de vogels in het regenwoud. Het verhaal dat de kleuter verzint, noteert de leerkracht op papier. Achteraf illustreert de kleuter zijn verhaal met een tekening. De leerkracht vraagt wat het kind getekend heeft, en noteert de woorden erbij. Het verhaal wordt achteraf in de grote kring verteld, en komt terecht in een verhalenbundel.

Bijvoorbeeld, de kleuters ordenen op een trapladder allerlei mogelijke voertuigen van traag naar snel. Of ze sorteren dieren in vleeseters en planteneters (of allebei). Een andere oefening is om dieren te sorteren in insecten, vogels, ... Die sorteeroefening gebeurt met afbeeldingen in een fotowand, of met voorwerpen in hoepels. Door de hoepels een beetje over elkaar te leggen, is er plaats voor twijfelgevallen. Op het einde van de activiteit geeft de leerkracht nog een moeilijk geval op waarover de kleuters veel moeten discussiëren. Bijvoorbeeld, de kleuters moeten oordelen of bijen huisdieren zijn. Of ze moeten oordelen of een kip een vleeseter of een planteneter is. Tijdens de discussie krijgen de kleuters erg veel spreekkansen.

Sommige van deze herhalingsactiviteiten schenken expliciet aandacht aan de doelwoorden, terwijl de doelwoorden in andere activiteiten gewoon heel vaak gebruikt worden door de kleuters en de leerkracht.

EVALUEREN EN Differentiëren

Tijdens de activiteiten observeer je welke kinderen moeite hebben om de woorden te absorberen. Deze kinderen bied je systematisch enkele extra oefenmomenten. Je kan die zelf begeleiden of je kan dit vragen aan een andere leerkracht.