dagelijkse inname voor de praktijk
spacer dagelijkse inname voor de praktijk
Praktijk-wijzer & oefeningen

De responsieve, taalstimulerende interactiestijl

De selectie van woorden: stof voor discussie

Oefeningen rond expliciete woordenschatinstructie

Kindvriendelijke definities van woorden

Methodes analyseren

 

De responsieve, taalstimulerende interactiestijl

Jouw interactiestijl, jouw manier van communiceren met de kleuters, beïnvloedt het tempo van taalverwerving. Kleuteronderwijzers met een responsieve, taalstimulerende interactiestijl hebben een positieve invloed op de woordenschatgroei, en andere aspecten van mondelinge taalvaardigheid. Zo blijkt uit onze literatuurstudie.

Nederlandstalige taalbeleidsorganisaties besteden veel aandacht aan de opleiding van kleuterleerkrachten om hen vertrouwd te maken met een responsieve, taalstimulerende interactiestijl. Bij de meeste leerkrachten is er immers nog heel wat ruimte voor verbetering. We adviseren leerkrachten om een intensieve opleiding te volgen en zich langdurig te laten coachen door een ervaren taalcoach om vooruitgang te boeken. Jouw interactiestijl verander je niet zomaar van vandaag op morgen. Dit advies geldt in het bijzonder voor leerkrachten die erg veel kleuters in de klas hebben uit families met een lage SES. We weten immers op basis van de literatuurstudie dat leerkrachten met zulke kleuters meer moeite hebben om een responsieve, taalstimulerende interactiestijl te hanteren!

Bij wijze van proevertje kan je jouw huidige interactiestijl evalueren door middel van een video-opname van jouw klaspraktijk. Of je bekijkt een video-opname op de website van leoned van een leraar-in-opleiding die zijn interactiestijl tracht te verbeteren.

Deze video-opname analyseer je vervolgens met behulp van een kijkwijzer. Er zijn verschillende Nederlandstalige kijkwijzers online gratis beschikbaar:

In onze literatuurstudie vermelden we bij de responsieve interactiestijl een aantal technieken om als leerkracht communicatie te faciliteren:

Daarnaast vermelden we technieken om taal te modelleren:

Vind je deze technieken om communicatie te faciliteren en taal te modelleren terug in jouw video-opname? Kom je ze tegen in de kijkwijzer die je gebruikt? Wat zijn de verschillen? Wat zijn de gelijkenissen?

 

De selectie van woorden: stof voor discussie

Deze oefening doe je met minstens twee personen met als doel om beter inzicht te krijgen in de selectiecriteria om doelwoorden te kiezen voor een woordenschatinterventie.

Eerst spreek je af welke leeftijdsgroep je voor ogen hebt. Vervolgens evalueer je elk apart of onderstaande woorden volgens jou geschikt zijn om met expliciete instructie te onderwijzen in de kleuterklas. Dat doe je als volgt:

Woorden rond het lichaam

 onbekend voor de kleuterszeldzaam in dagdagelijkse gesprekkennuttig (voor de latere schoolloopbaan)
hartslag      
skelet      
brein      
lichaamsdelen      
knieën      
spieren      
botten      
wijsheidstand      
pupil      
zweetklier      

Woorden bij het thema dinosaurus

 onbekend voor de kleuterszeldzaam in dagdagelijkse gesprekkennuttig (voor de latere schoolloopbaan)
Tyrannosaurus Rex      
geschiedenis      
dinosaurus      
uitsterven      
komeet      
aarde      
fossiel      
opgraven      
lang geleden      
diplodocus      

Vergelijk nu jullie resultaten, en bespreek de verschillen. Ongetwijfeld ben je het over een aantal woorden snel eens, en over andere niet. Tracht te achterhalen hoe dat komt.

Je zal ontdekken dat de criteria voor woordenschatselectie niet helemaal objectief zijn, maar afhangen van:

In sommige kleuterklassen moet je Tyrannosaurus Rex nauwelijks uitleggen, want die kennen ze reeds allemaal. (Waarschijnlijk wil je ook niet veel aandacht besteden aan dit woord omdat het niet erg nuttig is voor de latere schoolloopbaan.)

Heb je anderstalige nieuwkomers voor ogen, dan vind je de meeste woorden in deze lijst waarschijnlijk (nog) niet nuttig voor hen. Zij moeten eerst een basiswoordenschat verwerven. Van zodra die er is, wil je wel energie investeren in het onderwijs van gesofisticeerde woorden. We vonden in onze literatuurstudie geen informatie over de vraag of basiswoorden anders aangeleerd moeten worden dan gesofisticeerde woorden.

Vaak is het nodig om te differentiëren. In onze literatuurstudie werden steeds dezelfde doelwoorden gebruikt voor kleuters met een kleine en een grote woordenschat, maar de kleuters met een kleine woordenschat kregen in sommige studies extra instructie.

Soms kennen kleuters een woord al, maar begrijpen ze dit nog niet ten volle. Een mooi voorbeeld hiervan is 'hart'. Kleuters herkennen het symbool hartje al, en verbinden het ook misschien met liefde. Maar ze begrijpen niet ten volle wat het hart in het lichaam doet, wat een hartslag is, en hoe het hart een hartslag veroorzaakt.
Soms is een concept nog echt te moeilijk voor een kleuter. In een eerste kleuterklas moet je niet beginnen met het woord 'geschiedenis' omwille van het zwakke tijdsbesef van driejarigen, terwijl vijfjarigen wel al beseffen dat er een tijd was dat zij niet bestonden, en hun grootouders ook niet.

Als je zelf veel interesse hebt in geschiedenis, vind je dat 5-jarigen reeds mogen leren dat er zoiets bestaat als 'geschiedenis'. Ben je graag met sport bezig, dan lijkt 'hartslag' een interessant woord om te onderwijzen.

Niet alleen jouw eigen wereldbeeld speelt een rol bij de bepaling van wat een nuttig woord is, maar ook de leerplannen die de school hanteert. Onderzoek nu aan de hand van de leerplannen wereldoriëntatie in hoeverre de begrippen aan bod moeten komen in het basisonderwijs. Verschillende leerplannen kunnen verschillende accenten leggen, maar ongetwijfeld staat er nergens dat kinderen inzicht moeten hebben in de verschillende soorten dinosaurussen...

 

Oefeningen rond expliciete woordenschatinstructie

OEFENING 1

Lees eerst na welke technieken er zijn voor expliciete woordenschatinstructie. Vervolgens onderzoek je welke technieken gebruikt worden in het volgende voorbeeld.

De leerkracht heeft net een verhaal verteld met daarin de doelwoorden 'resuachtig' en 'gulzig' en onderwijst deze doelwoorden als volgt:

Elke stap weerspiegelt een techniek voor expliciete instructie, maar welke?

Noot: De leerkracht volgt hier een procedure uit WordWalk (Blamey & Beauchat, 2011), een uitgebreid stappenplan om woordinstructie te integreren in een voorleesactiviteit. Het stappenplan van WordWalk is veel uitgebreider dan het voorbeeld hierboven. Het begint bij de selectie van de doelwoorden, en biedt vervolgens twee stappenplannen voor twee voorleessessies met hetzelfde boek. Verschillende technieken voor expliciete woordenschatinstructie worden gecombineerd.

OEFENING 2

Bekijk het filmpje over Vertellen en presenteren in groep1/2 van het Expertisecentrum Nederlands. De kleuters in dit filmpje krijgen expliciete woordenschatinstructie in beperkte groep. Dit gebeurt niet naar aanleiding van een verhaal, maar toch komen een heel aantal technieken terug. Welke technieken herken je voor expliciete woordenschatinstructie?

Enkele andere kijkvragen:

 

Kindvriendelijke definities van woorden

Verzin een kindvriendelijke definitie voor de volgende woorden, zoals je die zou kunnen gebruiken in de kleuterklas:

Gaat dat goed? Waarschijnlijk moet je hier toch even over nadenken. Daarom raden onderzoekers aan om reeds bij de voorbereiding van een voorleessessie goede definities van de doelwoorden te zoeken en te noteren. Ter plekke een goede omschrijving vinden is erg moeilijk.

Je kan de definities helemaal zelf verzinnen, of je kan kijken in een kinderwoordenboek. De doelwoorden uit de oefening hierboven vind je bijvoorbeeld allemaal terug in het juniorwoordenboek van Van Dale. Al zijn deze definities bedoeld voor 8+, je kan ze gemakkelijk aanpassen aan kleuters.

Natuurlijk mag je de definities niet vergeten tijdens het voorlezen. Enkele leerkrachten kleven post-itnota's in het prentenboek om de woorddefinities te onthouden. De post-itnota's herinneren hen er ook aan dat ze deze doelwoorden expliciet willen behandelen.

Untitled-1

Een alternatief voor post-itnota's zijn foto's van de doelwoorden die je in de kring legt. Onder de foto's staan definities. Misschien kan je sommige foto's vervangen door echte voorwerpen, die je na de voorleesactiviteiten in de hoeken integreert.

Untitled-2

Voorzie voor een doelwoord meer dan één foto. De eerste foto gebruik je om de betekenis van het woord uit te leggen. Een volgende foto gebruik je om het doelwoord in een andere context toe te passen, en gelijkenissen met de eerste foto te zoeken. Bijvoorbeeld, bij het doelwoord 'smelten' voorzie je foto's van een smeltend ijsje, van een smeltend stuk chocola, van gletsjerwater.

Untitled-3

 Je kan ook contrastfoto's zoeken die het doelwoord net niet tonen. Je kan ze gebruiken met de kleuters om te ontdekken of ze het doelwoord voldoende begrepen hebben. Is dit een fabriek? Waarom wel/niet?
 
 
 

Untitled-4

 

 

Methodes analyseren

Om te weten of een methode rekening houdt met de wetenschappelijke bevindingen rond expliciete woordenschatinstructie kan je de handleiding van de methode raadplegen. Wordt woordenschatuitbreiding als een doelstelling vermeld? Welke aanpak wordt beschreven?

Neuman & Dwyer (2009) stelden echter vast dat Engelstalige methodes soms wel veel aandacht schonken aan woordenschat in hun handleiding, maar dit niet in de praktijk omzetten. Daarom bekeken ze de concrete materialen en activiteitensuggesties zelf.

Hun aanpak zou je ook kunnen gebruiken om te controleren of jouw methode genoeg aandacht schenkt aan woordenschatinstructie. Neem een willekeurige leereenheid uit de methode. Vermijd daarbij leereenheden die aan het begin of het einde van het jaar uitgevoerd worden. Bekijk vervolgens het programma van vijf opeenvolgende dagen. Doe dit aan de hand van de volgende vijf criteria:

  1. De methode vermeldt de doelwoorden die onderwezen worden.
    Vermeldt de methode expliciet de doelwoorden die onderwezen worden bij de activiteitenreeks? Vaak worden deze woorden in het vet gezet, staan ze in de marge van een verhaal, of is er een rubriek over woordenschat.
  2. De methode voorziet strategieën om de doelwoorden te onderwijzen.
    Worden er specifieke woordleerstrategieën vermeld? Zoek voorbeelden van manieren waarop de leerkrachten de doelwoorden kunnen onderwijzen zoals bijvoorbeeld een prent tonen bij het nieuwe woord. De woordleerstrategieën moeten concreet uitgewerkt zijn. "Praat met de kinderen over het woord" wordt niet als een concrete woordleerstrategie beschouwd.
  3. De methode voorziet gelegenheden om de doelwoorden te gebruiken en te oefenen in een zinvolle context.
    Vanuit het besef dat de verantwoordelijkheid gradueel mag verschoven worden naar de kleuters zelf, zoek je nu of de methode de kleuters de gelegenheid geeft om zelfstandig de nieuwe doelwoorden te oefenen. Dat gebeurt door activiteiten die de kleuters helpen om de doelwoorden zelf te gebruiken, zoals bijvoorbeeld bij een 'vormenjacht' in het klaslokaal nadat de kleuters verschillende vormen hebben leren herkennen.
  4. De methode voorziet gelegenheden om eerder geleerde doelwoorden te herhalen.
    Voorziet de methode herhalingsmomenten voor doelwoorden die de week voordien of nog eerder onderwezen werden? Bekijk hiertoe ook de doelstellingen en de inhoud van de activiteiten uit vorige lessen, en controleer of er doelwoorden terugkomen in het programma van vijf dagen dat je bestudeert. Bijvoorbeeld, een leerkracht kan in een bepaalde activiteit de tip krijgen om dit opnieuw met het onderwerp transport te verbinden en het doelwoord vervoermiddel te herhalen.
  5. De methode voorziet een manier om de woordenschatgroei te volgen.
    Geeft de methode specifieke suggesties om de woordenschatgroei van de kleuters op te volgen door middel van taken of activiteiten? Focus je op specifieke, informele evaluatiestrategieën in het programma van vijf dagen dat je geselecteerd hebt. Bijvoorbeeld, in een bepaalde activiteit suggereert de methode dat de leerkracht een spel speelt met een kleuter waarin de kleuter de doelwoorden benoemt die eerder aangeleerd werden, en omschrijft wat de doelwoorden betekenen. Om voor dit criterium te scoren is het niet voldoende wanneer de methode vraagt om de kinderen te observeren en nota's te nemen. Dit is te algemeen.

Indien de methode niet op alle vijf criteria goed scoort, zal je de activiteiten zelf moeten verrijken indien je van woordenschat een prioriteit wil maken. Of je kiest ervoor om een supplementaire methode te gebruiken.

Maar ook wanneer de methode aan deze vijf criteria voldoet, moet je kritisch blijven. Hoe zit het bijvoorbeeld met de selectie van doelwoorden? Gebeurt dit op een doordachte manier? Sluit de methode aan bij het niveau van de kleuters in de klas, en leidt het tot de gewenste resultaten? Zijn er tips om te differentiëren?

Referentie: Neuman, S. B., & Dwyer, J. (2009). Missing in Action: Vocabulary Instruction in Pre-K. Reading Teacher, 62(5), 384-392.